9.8.17

familienzeit



ik zwaaide de jongen uit, de auto maakte nog een bocht, heel even zag ik zijn hand achter het glas.  ik had hem dicht tegen me aangehouden toen hij zijn gezicht in mijn jurk drukte.  die ochtend hadden we tinnen figuurtjes gegoten, we hadden gezwommen en ijs gegeten op de markt.
de bergen stonden groen om ons heen.

de dagen leken hier zo lang, alsof er nauwelijks iets gebeurde.  ik stond op, at mijn yoghurt, liep door de smalle straten naar de bibliotheek.  ik zocht een plek in de leeszaal, ik opende mijn boeken, ik was gelukkig. 
op woensdagochtend kocht ik groenten en kaas op de markt.  de gekleurde huizen glommen in de zon.  de avonden waren stil. 

ik dacht hoe de jongen en zijn vader nu het stadje uitreden.  aan hoe we hier met zijn drie├źn hadden gelopen.
ik dacht aan twaalf jaar geleden, aan de soep die ik voor hem kookte, aan de eerste woorden.
we hadden ons onbeholpen in een droom gestort, en ik had de jongen gedragen die ons altijd zou verbinden.